Kort antwoord
Beheer configureerbare producten met een duidelijke taakverdeling: PLM levert de technische variantstructuur, CPQ rekent prijzen en valideert offertes, en PIM beheert de optiecatalogus met codes, teksten, specificaties, beelden en publiceerbare compatibiliteitsregels. Maak alleen een SKU van configuraties die je op voorraad houdt of los verkoopt. De rest publiceer je als configureerbaar model met optieregels.
Configureerbare producten beheer je met een vaste taakverdeling tussen drie systemen. PLM (Product Lifecycle Management) bepaalt welke varianten technisch kunnen, CPQ (configure, price, quote) rekent prijzen en valideert offertes, en het PIM-systeem (Product Information Management) beheert de optiecatalogus: codes, namen, specificaties, beelden, documenten en de compatibiliteitsregels die je naar klanten en dealers communiceert. Alleen configuraties die je op voorraad houdt of los verkoopt, krijgen een eigen SKU (Stock Keeping Unit).
Waar loopt de grens tussen PIM, CPQ en PLM?
Bij een machinebouwer ontstaat elke optie in engineering. Een nieuwe motorvariant of een RVS-uitvoering begint als wijziging in CAD en PLM, inclusief stuklijst. Gartner noemt productstructuur en BOM (bill of materials), en API's naar ERP, MES en CPQ als verplichte functies van PLM-software voor de discrete maakindustrie. PLM is dus de bron voor wat technisch mogelijk is.
PIM vertaalt die technische werkelijkheid naar wat een inkoper, dealer of servicemonteur moet weten. De verschillen per systeem op een rij:
| Systeem | Eigenaar | Wat het beheert | Wat het aan PIM levert of van PIM vraagt |
|---|---|---|---|
| PLM | Engineering | 150%-stuklijst, onderdelen, tekeningen, technische wijzigingen | Vrijgegeven opties, technische kenmerken, CAD-afgeleiden |
| ERP | Operations en finance | Artikelstam, kostprijs, verkoopprijs, voorraad, productieorders | Artikelnummers, prijzen en levertijden gaan direct naar kanalen |
| CPQ | Sales | Uitvoerbare regels, prijsberekening, offertes, kortingen | Haalt optienamen, teksten en beelden uit PIM |
| PIM | Productmanagement | Optiecatalogus, specificaties, vertalingen, media, documenten, publiceerbare regels | Voedt website, dealerportaal, configurator en catalogus |
Prijzen horen in deze verdeling bij ERP en CPQ. Akeneo schrijft in zijn ERP-koppelingsgids dat actuele prijzen en voorraad niet in Akeneo PIM thuishoren en direct van ERP naar het verkoopkanaal gaan. Die lijn kun je ook voor configuraties aanhouden: PIM kent de optie, CPQ kent de meerprijs. Een uitgebreidere vergelijking vind je op PIM vs PLM.
Welke configuratiedata hoort in PIM?
In PIM leg je de configuratie vast vanuit het perspectief van de klant. Per configureerbaar model beheer je de optiegroepen (de keuzeassen, zoals frame, motor, materiaal en aansluiting) en per optiegroep de optiewaarden. Elke optiewaarde krijgt een eigen optiecode die in PLM, ERP, CPQ en PIM gelijk is.
Aan elke optiewaarde hangen de gegevens die in de verkoop nodig zijn:
- een korte en lange naam in elke verkooptaal;
- de technische kenmerken die door die optie veranderen, zoals vermogen, gewicht of beschermingsgraad;
- beelden of renders van die uitvoering;
- documenten die alleen voor die optie gelden, zoals een aanvullende montagehandleiding;
- leverbaarheid per markt en per kanaal.
Technische kenmerken van een optie structureer je op dezelfde manier als die van een standaardproduct, met getypte attributen en eenheden. Hoe je dat opzet, lees je in technische specificaties structureren.
Hoe leg je optieregels vast?
Optieregels bepalen welke combinaties geldig zijn. In de praktijk kom je vier typen tegen. Leg elk type apart vast, met een eigenaar en een vrijgavestatus.
- Vereist: optie A vraagt optie B. Een frequentieregelaar vereist bijvoorbeeld een besturingskast met extra ruimte.
- Sluit uit: optie A is niet te combineren met optie B. Een RVS-pomphuis sluit een gietijzeren flens uit.
- Beperkt bereik: optie A beperkt de toegestane waarden van een andere optiegroep. Boven een bepaalde framemaat zijn alleen de zwaardere motoren leverbaar.
- Standaardwaarde: per optiegroep geldt een voorgeselecteerde waarde, die verandert als een andere optie gekozen wordt.
De uitvoerbare regels, met prijseffecten en de controle op een complete offerte, leven in CPQ. In PIM houd je de regels bij die je publiceert: in een dealerportaal, een online configurator of een productpagina met de tekst "alleen leverbaar in combinatie met". Zorg dat beide sets uit dezelfde bron komen. Begint een regel in CPQ, laat PIM hem dan importeren. Begint hij in PIM, exporteer hem dan naar CPQ. Twee handmatig bijgehouden regelsets lopen binnen een paar releases uit elkaar.
Voorbeeld: een fabrikant van transportbanden
Voorbeeld: een Brabantse fabrikant van transportbanden voor de voedingsmiddelenindustrie verkoopt één basismodel in vier framebreedtes, drie motorvermogens, twee materialen (gelakt staal en RVS) en vijf bandtypes. Rekenvoorbeeld (indicatief): dat zijn 4 × 3 × 2 × 5 = 120 theoretische combinaties. Na toepassing van de optieregels blijven er bijvoorbeeld 70 geldige over, omdat de smalste frames de zwaarste motor uitsluiten en sommige bandtypes alleen op RVS passen.
De fabrikant zet in PIM één configureerbaar model met vier optiegroepen en vijftien optiewaarden. Elke optiewaarde heeft een eigen tekst, specificaties en een render. Zes veelverkochte configuraties krijgen een eigen artikelnummer, omdat de distributeur ze op voorraad legt. De overige combinaties worden besteld met een typecode zoals TB-600-RVS-M2-PU, die ERP bij de order omzet in een productieorder.
Op de website toont de fabrikant het model met een configurator. Daarbij speelt ook een technische grens: Shopify verhoogde in oktober 2025 de limiet naar 2.048 varianten per product, maar staat volgens de documentatie van Matrixify maximaal drie opties per product toe. Een model met vier optiegroepen past daar als variantstructuur niet in. Een configurator die opties en regels uit PIM leest, wel.
Wanneer wordt een configuratie een SKU?
Een eigen artikelnummer kost onderhoud: een GTIN als je die toekent, een prijs, een record in ERP, een productkaart in elk kanaal. Gebruik daarom drie criteria om te beslissen of een configuratie een SKU wordt:
- Voorraad: houd je of een distributeur deze configuratie op voorraad, dan heeft hij een eigen nummer nodig.
- Herhaling: wordt dezelfde samenstelling vaak besteld, dan versnelt een vast nummer de orderverwerking.
- Kanaalbehoefte: vraagt een groothandel of e-procurementplatform om losse artikelen met vaste specificaties, dan levert een configureerbaar model daar geen bruikbare data.
Alle andere combinaties houd je als configure-to-order via de typecode. Leg in PIM vast hoe de typecode is opgebouwd (welk segment hoort bij welke optiegroep), zodat een dealer of servicemonteur een code van een typeplaatje kan terugvertalen naar de configuratie. Dat is ook voor service en reserveonderdelen waardevol, omdat een machine jaren na levering nog met dezelfde typecode wordt geïdentificeerd.
Wat vraagt dit van je PIM-systeem?
Een PIM-systeem voor configureerbare producten moet in elk geval drie niveaus kunnen modelleren (model, optiegroep, optiewaarde), relaties met regels kunnen vastleggen en optiecodes als stabiele sleutel kunnen beheren. Daarnaast wil je per optie kunnen aangeven in welke markten en kanalen hij leverbaar is, en wil je een vrijgaveworkflow die gelijk loopt met technische wijzigingen in PLM.
Een paar leveranciers combineren deze domeinen. Viamedici biedt naast PIM een module VIA/Configuration voor guided selling en CPQ (profiel Viamedici). Propel combineert PIM met PLM en QMS op één platform op Salesforce, zodat vrijgegeven engineeringdata direct in PIM beschikbaar komt. crossbase noemt een integratie met 3PQ-configuratie van 4PACE. Of een gecombineerd platform of losse systemen met koppelingen beter past, hangt af van je huidige PLM- en ERP-keuze. Meubelfabrikanten kennen hetzelfde vraagstuk, zie configuraties en materiaalvarianten en prijsberekening voor configureerbare meubels.
Hoe je configuraties naar dealers en distributeurs publiceert, staat in distributiekanalen bedienen. Het overzicht van alle onderwerpen in deze branche vind je op PIM voor B2B-fabrikanten, en de verschillen met andere sectoren op branches vergelijken.
Belangrijkste punten
- PLM bepaalt wat technisch kan, CPQ rekent en valideert offertes, PIM beheert de optiecatalogus en de publiceerbare regels.
- Gebruik één set optiecodes in PLM, ERP, CPQ en PIM, met per regel een eigenaar en een vrijgavestatus.
- Leg optieregels vast als vier typen: vereist, sluit uit, beperkt bereik en standaardwaarde.
- Maak alleen een SKU van configuraties met voorraad, herhaling of een kanaal dat losse artikelen vraagt; de rest bestel je via een gedocumenteerde typecode.
- Webshopplatforms hebben variantgrenzen, dus publiceer complexe modellen via een configurator die opties en regels uit PIM leest.
Veelgestelde vragen
Hoort de configuratielogica van een machine in PIM of in CPQ?
De uitvoerbare logica, met prijsberekening en offertevalidatie, hoort in CPQ (configure, price, quote). PIM beheert de optiecatalogus: welke opties er zijn, hoe ze heten in elke taal, welke specificaties en beelden erbij horen en welke combinaties je publiekelijk als leverbaar communiceert. Houd de optiecodes in beide systemen gelijk, zodat een wijziging op één plek begint en de andere systemen volgen.
Wanneer maak je van een configuratie een eigen artikelnummer?
Maak een eigen artikelnummer of SKU voor configuraties die je op voorraad houdt, die vaak in dezelfde samenstelling verkocht worden of die een distributeur in zijn eigen assortiment opneemt. Configure-to-order-combinaties leg je vast via een typecode die ERP pas bij de order omzet in een productieorder. Zo voorkom je dat je PIM vol raakt met combinaties die nooit verkocht worden.
Wat is het verschil tussen een 150%-stuklijst en de optiecatalogus in PIM?
Een 150%-stuklijst in PLM of ERP bevat alle onderdelen van alle mogelijke varianten van een product, met regels die per configuratie de juiste onderdelen selecteren. De optiecatalogus in PIM beschrijft dezelfde keuzes vanuit de klant: naam, voordelen, specificaties, beelden en leverbaarheid. Beide gebruiken dezelfde optiecodes, maar engineering beheert de stuklijst en productmanagement de catalogus.
Kun je alle varianten van een configureerbare machine als losse producten in een webshop zetten?
Meestal niet. Het aantal combinaties groeit snel en webshopplatforms hebben grenzen: Shopify verhoogde de limiet in oktober 2025 naar 2.048 varianten per product, met maximaal drie opties per product. Publiceer daarom een configureerbaar model met een configurator, en zet alleen standaardconfiguraties als losse varianten online.